“Sta mij toe om u slechts één geval laten zien”, zei ik tegen Nasser bin Abdullah al-Hemidi, de Qatarese minister van werkgelegenheid.

“Ik wil u het verhaal vertellen van één van die duizenden migrantenarbeiders hier in Qatar die door oneerlijke wetten in de val zitten.”

En zo vertelde ik hem het verhaal van Benjamin Cruz.

Twee maanden geleden stuurde Benjamin mij een e-mail.

“Geachte mevrouw,” schreef hij. “Ik heb uw hulp nodig.”

“Mijn werkgever heeft mijn salaris gehalveerd en heeft mijn functie veranderd zodat ik nu zware marmerplaten moet zagen.

“Ik moest iets doen, dus ik ben een rechtszaak begonnen in de Qatarese rechtbank voor arbeidsrecht. Die klacht kostte me al mijn spaargeld. Ik heb mijn geval gerapporteerd aan de nationale mensenrechtencommissie. Dat was 15 maanden geleden en er is sindsdien niets gebeurd.

“Ik kan niet werken, dus kan ik niets verdienen. Ik slaap bij een vriend op de bank, omdat ik niet meer in het arbeidskamp mag wonen.

“Mijn werkgever weigert mijn ontslagpapieren te tekenen zodat ik ergens anders kan gaan werken. Nu heeft hij mijn paspoort overhandigd aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ik mag het land niet uit.”

Duizenden werknemers zoals Benjamin zitten op deze manier in de val in Qatar, waar een stapel wetten een gesloten front tegen werknemers vormt en waar geen onafhankelijke klachtenprocedures bestaan waarmee werknemers en werkgevers hun geschillen kunnen oplossen.

In een land met 1,2 miljoen migrantenarbeiders is dit een juridische ramp voor werknemers. Advocaten in het arbeidsrecht zouden schrikken als ze zien hoe deze stapel wetten één partij boven de andere bevoordeelt.

Ons juridische team begon te onderhandelen met de Qatarese werkgever.

Zij appelleerden aan een eenvoudige en vertrouwde juridische tactiek, die van de kosten van juridische honoraria. Als jullie Benjamin laten gaan, voerden ze aan, zal hij zijn aanklacht tegen jullie laten vallen en hoeven jullie niet langer vele dagtarieven aan advocaten te betalen.

Deze bedragen liepen voor deze baas behoorlijk in de papieren.

Dus ging hij akkoord om Benjamin te laten gaan, en de vrijbrief voor Qatarese migrantenarbeiders te tekenen – het “Certificaat van geen bezwaar” – waarmee een persoon vrij is om te gaan werken voor een andere werkgever.
Maar ons verhaal gaat nog verder.

Boete

Omdat het paspoort van Benjamin was overhandigd aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, moest hij een boete van 1600 dollar betalen om het terug te krijgen omdat zijn werkgever hem als weggelopen had aangegeven, ondanks dat hij niet mocht werken.

Voor een man die normaal 400 dollar per maand verdient maar 15 maanden lang niet gewerkt heeft, was dit een enorme barrière.

En dit is het vreemde verhaal waarin Benjamin de hoofdrol speelt.

“Ik wil u vragen wat we voor deze man kunnen doen”, zei ik tegen de minister van werkgelegenheid.

“Ik zou zelf zijn boete gaan betalen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, maar deze situatie, waarbij uw eigen regeringsafdelingen het leven voor gastarbeiders onmogelijk maken is verkeerd.”

Het bleef stil. “Zou u betalen?” riep de Minister uit.

“Als het moet, als uw eigen regering deze arme man gaat straffen”, antwoordde ik.
“Maar hij heeft de wet overtreden”, is mij verteld door de functionarissen van het ministerie van werkgelegenheid.

“Hij is gestopt met werken voor deze werkgever en nu moet hij de boete betalen.”
“Een man die uitgebuit is, waarvan het loon gehalveerd is, die gedwongen is zijn baan op te geven. Heeft hij echt een misdaad begaan?”, vroeg ik hem.

“Als u gelooft dat het een misdaad is en dat u echt niets kunt doen, dan zal ik die boete deze middag betalen.”

Minuten later werden er garanties gegeven, een telefoontje gepleegd en lagen er beloftes op tafel om het paspoort terug te geven.

Vrijheid

Later die dag werd Benjamin in een auto van het ministerie van werkgelegenheid naar de buitenwijken van Doha gereden, naar het hoofdkantoor van de afdeling crimineel onderzoek. In een stoffig blok beton in het midden van de woestijn worden de paspoorten van duizenden weggelopen arbeiders in het kleine Golfstaatje bewaard.
Een staat waar je nergens naar toe kunt.

Toen de linkshandige directeur van de afdeling zijn papieren tekende, trok een functionaris die Benjamin vergezelde zijn Blackberry van onder zijn gewaad en vroeg ons een foto te maken met de net vrijgelaten Benjamin Cruz.

We zijn blij voor Benjamin.

Maar wat doet de Qatarese regering met de tienduizenden andere gevallen van werknemers waarvan de lonen ingehouden worden en die geen recht hebben op medische zorg en fatsoenlijke huisvesting?

Het antwoord dat zij me gaven is dat als een werknemer een contract tekent, hij dit contract moet naleven. Zelfs als de werkgever het contract wijzigt of als hij niet het afgesproken loon betaalt, wat al te vaak voorkomt, heeft de werknemer geen eerlijke kans om hiertegen bezwaar aan te tekenen.

De regering neemt geen verantwoordelijkheid voor het vaststellen van een minimumloon, dat moet in hun optiek door het bedrijf gedaan worden.

Als een werknemer wegloopt, dan is dat de schuld van de werknemer.

Er is geen vrijheid van vereniging, er zijn geen vakbonden om werknemers te beschermen, er is geen rechtbank waar arbeidsconflicten werkelijk uitgevochten of bemiddeld kunnen worden en er is geen ombudsman voor werknemers.

Het is niet zomaar een vreemd verhaal.

Helaas is dit het verhaal van een land waar de wet een gesloten front vormt tegen werknemers. Dat land is Qatar.

Dit opiniestuk van Sharan Burrow is voor het eerst verschenen in Equal Times op 17 januari 2013.